Lang zullen wij leven

  • Gied ten Berge

Op 2 november bidden katholieken voor hun doden. Deze gewoonte heeft eeuwenlang de kritiek van protestanten getrotseerd, maar nu wordt het alsnog opgeofferd aan Halloween. Dit kinderfeest, recent overgewaaid uit Angelsaksische landen, is los verkrijgbaar en het griezelen in horrorpakjes heeft eerder te maken met het op afstand houden van de doden dan leren met ze om te gaan.

Als kind werd ik op Allerzielen naar de kerk gestuurd om de zielen uit het Vagevuur te bidden, een plek die theologen hadden uitgedacht (niet: bedacht) ergens tussen hemel en hel, waar de kleinere zonden konden worden uitgeboet. De thermostaat stond er wel een paar graden lager, maar we moesten niet denken dat we er na dit leven zomaar zonder brandvlekken van af zouden komen.

De rite schreef voor, dat je voor iedere ziel afzonderlijk moest bidden. In een kerk, pikzwart met een lege katafalk in het midden. Je gebed telde pas als je voor iedere ziel opnieuw de kerk bezocht. Het hemelse geluk van je geliefden hing voor een deel af van jouw inspanningen. Op 1 november zag je de roomsen dus achter elkaar de kerk uit lopen en hup er weer in.

Protestanten vonden dat maar raar bijgeloof, niet Bijbels. Maar ook katholieken hadden hun letter. In 1 Korintiërs 3 staat dat Jezus “ons fundament” is. Of er op dat fundament verder was gebouwd “met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro”, dat maakte niet uit. Alleen als iemands werk standhield, zou die mens worden beloond. “Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen.”

Dus deden katholieken goedgemutst goede werken voor hun doden, waar ze ook nog eens zelf rente van trokken. Protestanten zagen het te somber in, vonden ze, door te denken dat je enkel en alleen door de genade van God goed terecht kon komen. Katholieken meenden ook zelf enige controle te hebben over het hiernamaals en voor de dood hoefden ze dus minder bang te zijn. Maar ook hun heilseconomie ontsnapte niet aan de geloofscrisis van de vorige eeuw. Veel van de oude heilsfabrieken gingen dicht en de rituelen zijn aangepast.

“Recepties bij de kist”, zo noemde mijn docent rituelen spottend onze huidige uitvaarten, waarbij in de kern niet meer onze doden, maar wijzelf en onze herinneringen centraal staan. Ik heb een keer bij een begrafenis vanuit een dorpshuis naar wel tien toespraken moeten luisteren. De kist stond ondertussen ergens opzij gestald… Alle sprekers waren intens met zichzelf bezig en het conserveren van hun herinnering. Eentje probeerde, een beetje onbeholpen, zijn overleden moeder nog uit te wuiven. Hij wenste haar een goede reis. Maar de volgende had het alweer over haar appeltaart die ze nooit zou vergeten. Het fundament onder die nieuwe troosteconomie: ‘Mijn brein is Hein’. Met andere woorden: mijn doden gaan zo lang mee als dat ik zelf leef. Ondertussen liggen op kerkhoven wel overal knuffels te vergaan en lijken grafmonumenten soms etalages, bedoeld om de doden – lang zullen wij leven – zo lang mogelijk bij ons te houden.

Kerken, bezorgd over hun marktaandeel, doen maar een beetje mee. Op Allerzielen worden vaak nóg weer eens warme verhaaltjes over de doden verteld. Bij ieder verhaaltje hoort een kaarsje. Maar ik mis toch wat. Bevrijding uit die verdomde dood, literair, dramatisch… Dies Irae, dag der toorn, o dag dat de wereld in as is vergaan… Maar wel opbouwend naar In Paradisum, hemelse horizon voor iedereen, nu en straks. Misschien moet er toch maar eens iemand in een geraamtepak de kerk binnen springen en roepen: ‘Hé, jij hebt het over mij! Hoezo ben ik hier? Laat me los, help me uit de vlammen van het bestaan, bid jij maar dat ik in vrede ben, dan kun jij met vuur aan de vrede blijven bouwen.’

Ik wil er geen wagenspel van maken. Maar kerken en ook de rituele doe-het-zelvers zouden in samenkomsten rond hun dode wel de balans moeten bewaren tussen de schrik en de pijn om de lege plaats, voordat zij die vullen met verhalen. Verschuif die liever naar de nazit (het begrafenismaal). Laat daar gesproken en nog eens gehuild worden, en laat het leven van de levenden er met een goed glas wijn terugkeren. Minstens zo belangrijk! Waarom geen gemeenschappelijk Allerzielenmaal waarin ook de gemeenschap aanschuift en we van elkaar horen hoe het met ons is gegaan?

In de katholieke begrafenisliturgie keren het rituele wassen en afleggen van de dode als laatste eerbewijs aan de schoonheid van het mensenlichaam symbolisch terug bij de absoute. Dit is de laatste, plechtige zegening van het lichaam, vlak voor het definitieve uitgeleide. Ontroerend, maar ook confronterend. Een vriendin die ik heb helpen begraven had de Flamenco als hobby. We hebben haar na die absoute, waarbij de zegen werd verricht met takken uit haar eigen tuin, uitgedragen op haar muziek. Zij danste In Paradisum voor ons de kerk uit.

Zo moeten we ook met Allerzielen weer eerst teksten spreken en zingen over de pijn van het definitieve aardse gemis, om daarna met des te meer kracht het eeuwig leven te beamen. Dan pas is de cirkel rond en moet je je weer in de kring scharen, om elkaar te vertellen of we erin geslaagd zijn los te komen van onze doden en het perspectief te hervinden op onze eigen levens, waarin hun nagedachtenis meegaat tot ook die is opgelost in de eeuwigheid van God.

Foto: Halloween is coming door Liz West (CC BY 2.0)

Tags: